David heeft gezondigd tegen de Koning van de hemel. Hij staat schuldig voor het hoogste gerechtshof. En deze realiteit breekt zijn hart.
David gaat zijn zonde niet alleen zien zoals God die ziet, maar hij voelt er ook diep verdriet over. In Psalm 51:3 erkent hij: „Mijn zonde staat mij altijd voor ogen.” De herinnering aan zijn ongerechtigheid achtervolgt hem. Het beeld van zijn fouten speelt zich keer op keer af in zijn gedachten. ’s Nachts gaat hij slapen terwijl beschuldigende fluisteringen door zijn gedachten razen. ’s Ochtends staat hij op terwijl donkere wolken van schaamte dreigen de nieuwe genade van elke dag te verbergen. Vanuit deze plaats van verdriet komt wat Andrew Bonar ‘de kreet van de zondaar met een gebroken hart tot de God van genade’ noemde. Davids woorden gaan verder dan louter het erkennen van zonde en drukken de last uit die op zijn hart drukt. Hij beseft in zijn verstand hoe zondig hij is, en hij voelt het tot in zijn botten. Dit is berouw met een gebroken hart. Het woord ‘berouw’ komt van een Latijnse term die ‘in stukken gebroken’ betekent. Davids hart is in stukken gebroken door wat hij heeft gedaan. Hij voelt zich niet alleen schuldig omdat hij Batseba onrecht heeft aangedaan; hij treurt erom. Hij heeft niet alleen spijt van wat hij zijn vriend Uria heeft aangedaan; hij is er kapot van. Hij erkent niet alleen dat hij zijn trouwe God heeft verraden; hij betreurt het. David buigt onder de last van al zijn zonden. En terwijl hij beseft dat elke overtreding uiteindelijk tegen de hemel gericht was, roept hij in Psalm 51:4 uit: ‘Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd.’
Op het eerste gezicht zouden we ons kunnen afvragen of David wel goed bij zijn hoofd is! Heeft hij nu echt net gezegd dat hij alleen tegen God heeft gezondigd? Instinctief pakken we zelf een whiteboardstift om een lijst te maken van alle partijen die hij onrecht heeft aangedaan. Hij heeft tegen Batseba gezondigd door overspel. Hij heeft tegen Uria gezondigd door diens dood te regisseren. Hij heeft gezondigd tegen de familie van Uria en tegen de ouders van Batseba, die David waarschijnlijk goed kende omdat Batseba’s vader een van Davids helden was. Als koning van Israël heeft hij gezondigd tegen het hele volk dat aan zijn zorg was toevertrouwd. Minimaliseert David dan zijn zonde met deze uitspraak? Helemaal niet. Hij is zich pijnlijk bewust van de vele manieren waarop hij tegen anderen heeft gezondigd. En hoewel zijn overtreding jegens elk van deze partijen ernstig is en beleden moet worden, begrijpt hij dat al het kwaad dat hij heeft gedaan niet alleen bij God bekend is, maar ook tegen zijn God gericht is. De theologische waarheid die we uit zijn belijdenis leren, is dat elke keer dat we horizontaal zondigen, onze zonde altijd ook een verticale dimensie heeft (Lev. 6:2). David bagatelliseert zijn schuld niet; hij legt deze juist voor ieders ogen bloot en laat zien hoe hoog zijn zonde reikt. Hij heeft gezondigd tegen de Koning van de hemel. Hij staat schuldig voor het hoogste gerechtshof. En deze realiteit breekt zijn hart.
Paulus maakte in 2 Korintiërs 7:10 een duidelijk onderscheid tussen droefheid naar God en droefheid naar de wereld: „Droefheid naar God brengt een berouw voort dat leidt tot redding zonder spijt, terwijl droefheid naar de wereld de dood tot gevolg heeft.” Dit vers onthult niet alleen twee soorten verdriet, maar ook de tegenstrijdige uitkomsten die daarmee gepaard gaan. Droefheid naar God leidt ons naar God, naar bekering, naar verlossing, naar leven en naar vrede. Wereldse droefheid keert ons naar binnen en drijft ons weg van God, met gebogen hoofd uit schaamte. Werelds verdriet kan weliswaar smart veroorzaken, maar het laat onze ziel onberoerd en leidt uiteindelijk tot de dood. Davids belijdenis in Psalm 51:4 is doordrongen van goed en droefheid naar God. Het is meer dan alleen spijt over zijn daden of de gevolgen van zijn zonde. Hij ervaart door de Geest gewekt berouw voor Gods aangezicht.
Maar voor degenen onder ons die in Christus zijn: hoewel we de ellende van de zonde hebben gekend, kennen we ook de genade van God. Wij waren zondaars en zijn uitsluitend door genade gerechtvaardigd en hebbenuitsluitend door Christus vrede met God gevonden. Zoals Thomas Watson benadrukte: “Bekering hangt af van een verandering van hart.” Toch kunnen we ons eigen hart niet veranderen, hoe hard we ook ons best doen. Ons hart moet opnieuw worden gevormd, hervormd en omgevormd door de goedheid van God die ons tot bekering leidt. Het is Christus die het hart bekeert en de liefdes ervan herschikt. Hij verbreedt het hart zodat het meer liefde voor God kan bevatten dan voor de dingen van deze wereld. Hij verlost het hart om lief te hebben wat God liefheeft. Hij vult het hart tot overvloeiens toe met dankbaarheid. Wanneer het hart in oprecht berouw diep van Christus drinkt, wordt het gelest door een alles bevredigende, altijd stromende stroom van genade.
Dit is een bewerking van het derde deel van een artikel op Crossway: 3 marks of true repentance. Het laatste deel volgt later.
Reactie plaatsen
Reacties